September-oktober 2011, drie weken door Java en Bali. Begonnen in Jakarta — indrukwekkend, overweldigend, een metropool van 30 miljoen mensen die nooit stopt. Vandaar naar Yogyakarta, de culturele hoofdstad van Java, met twee van de meest spectaculaire tempels van Zuidoost-Azië: Borobudur bij zonsopgang en de hindoeïstische Prambanan.
Dwars over Java naar de vulkanen. De Bromo bij ochtendgloren — met een kleine uitbarsting op het perfecte moment. En Kawah Ijen, een van de bijzonderste plekken die ik ooit heb bezocht: het turquoise kratermeer, de giftige zwavelgassen, en de zwavelmijners die met manden van 80 kilo op hun schouders de krater uit klimmen. Documentaire fotografie op zijn rauwst.
Met de ferry naar Bali. Eerst naar Pemuteran in het noorden — duiken, kleine tempels ontdekken in de omgeving, rust. Dan naar het binnenland: Ubud met zijn rijstvelden en kunstgalerijen, de Jatiluwih rijstterrassen (UNESCO), de watertuinen van Tirta Gangga, en Amed aan de oostkust. Bewust de minder bekende plekken opgezocht, weg van de toeristische zuiden. De laatste dagen uitrusten in Candidasa aan het strand, kijkend naar de vissers die 's ochtends terugkomen.






































